december 2001
|
DE GULDEN IN KORT
BESTEK
Over minder dan twee weken is de euro er echt. Is het eenmaal zo ver, dan
heeft een nieuwsbrief over de introductie van de euro zijn bestaansrecht
verloren. Dit is dan ook het laatste nummer van dit blad.
We openen dit nummer met een terugblik op wat over minder dan anderhalve
maand definitief tot het verleden zal behoren: de Nederlandse gulden.
In 1252 werd in Florence een gouden munt van 3,5 gram in omloop gebracht, die
de naam fiorino d'oro kreeg. Sterke munten werden in die tijd ook
buiten de grenzen van het eigen land geaccepteerd en de fiorino werd een
populair betaalmiddel in heel West-Europa. Ook in de verzameling staatjes
waaruit zich later Nederland zou ontwikkelen (het graafschap Holland, het
bisdom Utrecht, het hertogdom Gelre, enzovoorts) was de fiorino een graag
geziene munt. ‘Gulden’ gingen onze voorouders hem noemen, naar het tweede deel
van de naam (d'oro betekent ‘van goud’), maar ook het eerste deel leeft
als florijn in onze taal voort. De afkortingen voor onze gulden (f, fl
en ƒ) zijn op de florijn terug te voeren.
De fiorino krijgt navolging
Het duurde niet lang of andere staten gingen een eigen gulden of florijn
slaan. Avignon (toen residentie van de Paus) in 1322, Hongarije in 1325. Die
laatste munt ging forint heten en is nog steeds de gangbare munt in
Hongarije.
Nog dichter bij Nederland ontstond de Rijnlandse gulden. De eerste Nederlandse
gulden werd in 1355 geslagen in Valkenburg. Deze munten hadden allemaal
hetzelfde goudgehalte als de fiorino, want de waarde van een munt werd in die
tijd bepaald door het gehalte aan edelmetaal. Vandaar dat een munt uit een ver
land toch kon worden geaccepteerd als betaalmiddel. Een weegschaal was in die
tijd een onmisbaar attribuut bij de handel.
Voor het preciezere werk en de minder gangbare munten waren er wisselaars en
bankiers. Die hadden boeken waarin honderden munten beschreven en gewaardeerd
werden. Hun werk werd er niet eenvoudiger op door de knutselaars die de
buitenste rand van munten af haalden om dat goud om te smelten (het ‘snoeien’
van een munt) en soms hun sporen probeerden uit te wissen door de munt te
voorzien van een nieuwe rand van onedel metaal. Om dit soort praktijken tegen
te gaan werden munten wel voorzien van een kartelrand of een randschrift.
Ook waren er valsemunters. Als die gepakt werden, kregen ze geen kinderachtige
straffen. Aan de gevel van het Waaggebouw te Deventer hangt nog steeds de
ketel die gebruikt werd om valsemunters levend in te koken.
De carolusgulden
Er kwamen in de volgende eeuwen nog een paar Nederlandse guldens en florijnen
bij, maar niet altijd met hetzelfde gewicht. Dat was verwarrend. In 1521
introduceerde keizer Karel V, die erin geslaagd was Duitsland, de Nederlanden
en Spanje onder één kroon te verenigen, de carolusgulden. In 1526
verordonneerde hij dat de carolusgulden in de Noordelijke Nederlanden als
rekeneenheid zou gelden. In 1544 introduceerde Karel ook een zilveren variant
van de carolusgulden, een forse plak van bijna 23 gram.
Eigenlijk is die zilveren gulden sindsdien altijd onze standaardmunt
gebleven.
|
|
| Drieguldenstuk uit 1820
|
Niet alleen
Nederland had de gulden als munt. Ook de overzeese gebiedsdelen hadden een
Nederlandsch-Indische, Antilliaanse of Surinaamse gulden. Maar ook de Vrije
Stad Danzig, die bestond tussen 1920 en 1939, had de Danziger Gulden
|
De tijd van de Republiek
In de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden mochten alle
provincies hun eigen geld slaan, maar daarnaast waren er ook regio's
(West-Friesland) en steden (onder andere Amsterdam, Utrecht, Zutphen en
Groningen) met eigen geld. In omloop waren (in afnemende volgorde van waarde)
gouden dukaten (5 gulden), zilveren dukaten of rijksdaalders (50 stuivers),
florijnen (30 stuivers), guldens (20 stuivers), schellingen (6 stuivers),
dubbele stuivers (later ‘dubbeltjes’ genoemd: 2 stuivers), stuivers, oortjes
(¼ stuiver) en duiten (⅛ stuiver). Niet elk van de veertien ‘munthuizen’
in de Republiek (de plaatsen waar munten mochten worden geslagen) maakte al
deze munten aan. Hier en daar werden ook exotische munten geslagen, zoals
halve dukaten, halve guldens en halve stuivers of
vierduitstukken.
In 1694 riepen de Staten-Generaal de gulden uit tot standaardmunt van de
Republiek.
De Franse tijd
In 1795 werd de Republiek door Frankrijk bezet. Ze werd omgedoopt in Bataafse
Republiek. Het aantal provincies en regio's dat eigen geld mocht aanmaken,
werd beperkt tot zes.
De Bataafse Republiek was geen blijvertje. Net zoals de Franse republiek werd
omgezet in een keizerrijk onder Napoleon, werd de Bataafse Republiek omgezet
in het Koninkrijk Holland (1806‑1810) onder Lodewijk Napoleon, een broer
van de keizer. Voor de munten betekende dit dat voor het eerst één soort
dukaten, guldens, stuivers enzovoort voor heel Nederland werd aangemaakt. Een
ander nieuwtje was de introductie van een randschrift op de munten met de
hoogste waarden. ‘De naam des Heeren zij geloofd’ luidde het.
Lodewijk Napoleon kreeg onmin met zijn broer en werd weggewerkt. Tussen 1810
en 1813 werd Nederland rechtstreeks vanuit Parijs bestuurd en was de Franse
franc ons betaalmiddel.
| Noodgeld uit de tijd van de Japanse
bezetting van Nederlandsch-Indië: bankbiljet van één cent
|
|
Het Koninkrijk der Nederlanden
Na het herstel van de onafhankelijkheid werd Nederland weer een koninkrijk,
nu onder koning Willem I. In 1816 reorganiseerde hij het muntstelsel. Onze
munt ging gulden heten en die werd onderverdeeld in 100 centen. Dat stelsel
zou het 185 jaar uithouden.
Er zijn in die tijd nog wel wat munten met exotische waarden aangemaakt: een
paar dukaten, munten van ƒ 20 (1848), ƒ 50 (1982 en 1998), ƒ 3
(1817‑1832), maar de normale reeks bestond uit munten van ƒ 10
(tientje), ƒ 5 (vijfje), ƒ 2,50 (rijksdaalder), ƒ 1,
ƒ 0,50 (halve gulden), ƒ 0,25 (kwartje), ƒ 0,10 (dubbeltje),
ƒ 0,05 (stuiver), ƒ 0,025 (vierduitstuk), ƒ 0,01 (cent) en
ƒ 0,005 (halfje). Het zal u bekend zijn: niet elk van deze munten heeft
de eindstreep gehaald.
Vanaf het begin droegen de munten met hogere waarden een randschrift: ‘God zij
met ons’. Dat is zo gebleven en straks krijgt de Nederlandse variant van de
munt van 2 euro het ook.
Het bankbiljet komt voort uit de schuldbekentenis. Niet voor niets
stond vroeger op de bankbiljetten: ‘De Nederlandsche Bank betaalt aan
toonder...’ Ook vóór de negentiende eeuw circuleerden er al formulieren die je
met een gerust hart bankbiljet kunt noemen, maar in de negentiende eeuw
beleefde het papiergeld een grote opmars. Bankbiljetten namen de functie van
de hoogst gewaardeerde munten (zoals het tientje) over.
De Duitse bezetting en daarna
In de jaren 1940‑1945 sleepte de Duitse bezetter al het metaal dat hij
kon vinden naar Duitsland om het te gebruiken voor de oorlogsindustrie. Het
koper- en zilvergeld werd geconfisqueerd. De zilveren munten droegen de
beeltenis van koningin Wilhelmina, die naar Engeland was gevlucht. Een
neveneffect van de inzameling was dat haar beeltenis uit het geldverkeer
verdween; dat was de Duitsers niet onwelkom. De guldens en rijksdaalders
werden vervangen door papiergeld; in de plaats van de bronzen munten kwamen
zinken kwartjes, dubbeltjes, stuivers, vierduitstukken en centen. De halve
cent verdween, definitief.
Dankzij de metaalschaarste kwam er pas weer nieuw geld met de beeltenis van
koningin Wilhelmina in 1948. In hetzelfde jaar nog trad zij af. De eerste
munten met de beeltenis van haar opvolgster koningin Juliana verschenen pas in
1950. De zilveren gulden kwam pas terug in 1954, de zilveren rijksdaalder in
1959. Tot die jaren moesten we het stellen met papieren guldens en
rijksdaalders.
|
Papieren rijksdaalder, in gebruik van 1949
tot 1959
|
Wat er sindsdien met ons geld gebeurd is, weten we. Dat zit in onze
portemonnee. Nog even maar.
Gebruikte literatuur:
- Rob Groeneveld, Vaarwel Gulden: 750 jaar historie 1252‑2002,
ImageBooks, Eindhoven, 2001.
- M.M.G. Fase, J.R. Steinhauser en Joh. de Vries (red.), Het Nederlandse
bankbiljet in zijn verscheidenheid, De Nederlandsche Bank,
Amsterdam/Kluwer, Deventer, 1986.
- Zonnebloem muntencatalogus.
Sijtze Reurich
♦ ♦ ♦ ♦ ♦ ♦
|