(personeelsblad Kluwer BedrijfsInformatie)
oktober 1995
|
SPELLINGVOORSCHRIFTEN ZIJN TE INGEWIKKELD
‘Spelling’ is in Nederland een beladen onderwerp. Om de zoveel jaar komt er
een commissie die voorstelt de spelling te veranderen. Dan breekt er een hoop
kritiek los, een zwaar bombardement met ingezonden stukken in de kranten, en
worden de voorstellen schielijk ingetrokken. Ook deze nieuwe
spellingrichtlijnen zijn maar een schamel restant van een reeks voorstellen
die veel verder gingen. De vorige commissie wilde bijvoorbeeld de
bastaardwoorden drastisch vernederlandsen. Nou ja, vernederlandsen... Het
woord mythe zou voortaan gespeld moeten worden als mite. Ik had
wel eens uitgelegd willen zien waarom een scholier op z'n miter moest
hebben als hij miete ging schrijven, maar soit, het gaat toch niet
door.
Wat mij altijd opvalt, is het bedroevende niveau van de argumenten van zowel
voor‑ als tegenstanders. Ik zal er twee noemen.
Voorstanders betogen altijd dat een drastische vereenvoudiging van de spelling
betekent dat scholieren minder tijd hoeven te besteden aan het leren van de
spelling, dus meer tijd overhouden voor actieve taalbeheersing, en dus per
saldo beter Nederlands zullen leren. Een bewijs voor deze stelling heb ik
nooit gezien. Toch is zo’n bewijs heel makkelijk te leveren.
Het Fries en het Italiaans zijn talen met een gemakkelijke spelling, die dicht
tegen de spreektaal aanligt. Dit in tegenstelling tot het Engels en het Frans.
Neem dus 100 Friezen, 100 Italianen, 100 Engelsen en 100 Fransen, en laat ze
allemaal een opstel schrijven. Stel kwaliteitscriteria op en beoordeel alle
opstellen daarnaar. De spelling blijft natuurlijk nadrukkelijk buiten
beschouwing. Als de stelling juist is, scoren de Friezen en de Italianen
gemiddeld hoger dan de Fransen en Engelsen.
Het is mij een compleet raadsel waarom niemand die proef ooit gedaan heeft.
Goed, het kost wat geld, maar dat is te verwaarlozen. En het kost wat moeite.
Is het dat soms? Het is natuurlijk stukken goedkoper en gemakkelijker om maar
wat te roepen...
En dan een argument van de tegenstanders. ‘Nederlanders isoleren zich
internationaal als ze woorden die in iedere taal met een c worden
geschreven, ineens met een k gaan schrijven.’
Goed, laten we eens kijken wat een willekeurig woord als corruptie
is in een aantal andere talen die gebruik maken van het Latijnse alfabet:
| Engels:
|
corruption
|
Fries:
|
korrupsje
|
| Frans:
|
corruption
|
Duits:
|
Korruption
|
| Spaans:
|
corrupción
|
Deens:
|
korruption
|
| Catalaans:
|
corrupció
|
Zweeds:
|
korruption
|
| Occitaans:
|
corrupcion
|
Pools:
|
korupcja
|
| Portugees:
|
corrupçăo
|
Tsjechisch:
|
korupce
|
| Italiaans:
|
corruzione
|
Lets:
|
korupcija
|
| Roemeens:
|
corupţie
|
Litouws:
|
korupcija
|
|
|
|
Estisch:
|
korruptsioon
|
(Volledigheidshalve kan ik dan nog melden dat het woord in het Welsh
‘llygredigaeth’, in het Fins ‘lahjominen’ en in het Hongaars
‘megvesztegethetöség’ luidt. Zo internationaal als we misschien wel denken, is
het woord dus ook weer niet.)
Kortom: geen sprake van dat het Nederlands zich internationaal isoleert als we
‘corruptie’ met een k gaan schrijven. We sluiten ons alleen maar aan
bij een andere groep talen.
Uit het voorgaande zult u wel begrepen hebben dat ik niet als eerste sta te
juichen bij een spellingwijziging. Toch: als het dan moet, dan komen de
problemen die nu zijn aangepakt, inderdaad het eerst in aanmerking.
Het bevriezen van de voorkeurspelling tot enig juiste spelling is een logische
stap en niet meer dan een formalisering van de bestaande praktijk. Wie afwijkt van de voorkeurspelling, wordt nu al niet voor vol aangezien. Schrijft Willem
conservatiever dan de voorkeurspelling? Willem is een domme reactionair, die
niet met zijn tijd meegaat. Schrijft Frans progressiever? Frans is een
aansteller, die zo nodig moet laten zien hoe vooruitstrevend hij is. Een
stigma waar Willem en Frans nooit vanaf zullen komen, ook al gebruiken ze
allebei een toegelaten spelling.
Dat meteen ook wat inconsequenties worden rechtgetrokken en dat ‘produkt’ weer
‘product’ wordt – ik kan er niet echt mee zitten.
Dan de tussen‑n in samenstellingen. De bestaande regeling is
ingewikkeld, en dus onbevredigend. ‘Wespennest’ is met een extra n,
want er zitten altijd meer wespen in. Moet je echt zoveel kennis van de
biologie hebben om het woord goed te kunnen schrijven? Dit nog los van het
feit dat de commissie die het Groene Boekje van 1954 heeft
geproduceerd, er op dit punt naast zat. Uit eigen waarneming weet ik dat er
solitaire wespen bestaan, die dus een wespenest maken!
Nee, dan de nieuwe regeling. ‘Wespennest’ is met een extra n, want het
eerste deel van de samenstelling is een zelfstandig naamwoord dat uitsluitend
een meervoud op n heeft, en het is weliswaar een dierennaam, maar het
tweede deel van de samenstelling is geen plantkundige aanduiding. Dank voor
deze duidelijkheid! Hier kunnen we tenminste wat mee...
U begrijpt het al: ik had liever een wat simpeler regeling gezien.
Helemaal mooi wordt het bij de tussen‑s. Hier doet de nieuwe
regeling mij denken aan de goochelaar die aan het begin van zijn act een wit
konijntje wegtovert. En na een hoop poespas en veel omhaal van woorden haalt
hij uit zijn hoge hoed ... hetzelfde witte konijntje. En ik had na al dat
gedoe toch minstens verwacht dat er een zwart konijn uit zou komen.
Wat is de bestaande regeling? De tussen‑s wordt geschreven waar
in het spraakgebruik een s wordt gehoord of waar het tweede lid van de
samenstelling begint met een sisklank, maar weer niet als de voorafgaande
medeklinker scherp is, en dan weer wel als de meeste andere samenstellingen
met het eerste lid een s laten zien. Een draak van een regel! Vandaar
dat niemand weet of je nu geluidhinder of geluidshinder
moet schrijven.
En wat zegt de nieuwe regeling? ‘Er zijn talrijke samenstellingen waarin
sommige taalgebruikers wel een s uitspreken en andere niet. Op grond
van uitspraakvariatie behouden vele woorden twee gelijkwaardige spellingen.’
Dus dood(s)kist, drug(s)beleid, enzovoort. En dan worden er nog
twee aanvullende regels gegeven voor gevallen waarin iedereen al een s
schreef. Daar moet je een s schrijven, jawel.
Waarom toch die eerbied voor de uitspraak? Hele volksstammen zeggen
‘frikandel’, maar de spelling is en blijft ‘frikadel’. Ik heb iemand gekend
die het had over ‘mijn eigensdom’. Wordt dat nu ook een erkende spelling? Los
van het feit dat de uitspraak natuurlijk inwerkt op de spelling (vandaar dat
we nu ‘kroket’ gaan schrijven in plaats van ‘croquet’), maar omgekeerd ook.
Luister maar eens naar geluidsopnamen van hoogwaardigheidsbekleders uit de
tijd voor en tijdens de oorlog. Dat nadrukkelijk aangeven van de
buigings‑n (Koningin Wilhelmina: ‘Wie op het juiste moment
handelt, slaat dčn nazi op dčn kop. Ik heb gezegd.’). Dat ophaaltje achter de
s waar in de spelling een ch volgde (zoals in ‘visch’). Dat was
allemaal ineens afgelopen toen na de oorlog de buigings‑n en de
ch verdwenen. Net zoals de tussen‑s zou verdwijnen als die
uit de spelling zou worden geschrapt. Ik vind het jammer dat anderen niet op
dat simpele idee komen.
Sijtze Reurich
♦ ♦ ♦ ♦ ♦ ♦
|