![]() mei 1992 |
De onafhankelijkheidsoorlog Na de Duitse capitulatie op 11 november 1918 trokken de Duitse troepen zich terug uit het Baltisch gebied. Bolsjewistische troepen uit Rusland probeerden met steun van hun Baltische sympathisanten de plaats van de Duitsers in te nemen. Op 29 november 1919 riepen ze een Sovjetrepubliek Estland uit met ene Jaan Anvelt als president. Narva en Tartu vielen in handen van de bolsjewieken. Maar de nationalisten realiseerden zich dat ze nu de kans hadden voor het eerst in de geschiedenis een eigen Estische staat te stichten. Johan Laidoner (1884-?), de opperbevelhebber van de Estische troepen die inderhaast werden gerekruteerd, bleek een bekwaam strateeg te zijn. Met enige hulp van de Britse marine, van vrijwilligers uit het (net onafhankelijk geworden) Finland en het ‘witte’ leger van generaal Judenitsj waren de bolsjewieken al in februari 1919 van het Estische grondgebied verdreven (afbeelding 23 en 24). ![]() ■ Afbeelding 23. Veldpostkaart met stempel van het ‘Heldenkinderen-bataljon voor de Bevrijding’, een nationalistisch troepenonderdeel ![]() ■ Afbeelding 24. De voorkant van dezelfde kaart laat ons de veldkeuken van het bataljon zien De Estische nationalisten vochten nog enige tijd door buiten de landsgrenzen. In Letland hielpen ze de Letse nationalisten bij hun onafhankelijkheidsoorlog. In het oosten hielden ze samen met ‘witte’ troepen Pskov bezet (afbeelding 25). In het noorden vochten ze zij aan zij met de troepen van generaal Judenitsj. Estische eenheden hebben zelfs aan de poorten van Petrograd gestaan. 3 ![]() ■ Afbeelding 25. Veldpostkaart met het stempel van de commandant van pantsertrein no. 4, verzonden vanuit het door Estische en ‘witte’ troepen bezette Pskov naar Tallinn op 24 juli 1919 Maar het bondgenootschap met de Witten hield geen stand. Het doel van de Witten was immers herstel van het tsarenrijk en binnen dat ideaal paste geen zelfstandig Estland. Toen het ‘Noord-westleger’ van Judenitsj verslagen was, vluchtten de overgebleven soldaten naar Estland, waar ze ontwapend en geïnterneerd werden. Het Rode Leger hield stil bij de Estische grens. Toen op 2 februari 1920 de vrede van Tartu tussen Estland en Rusland werd gesloten, was er in feite allang een bestand. Afgezien van enkele grensincidenten werd er al sinds mei 1919 niet meer gevochten. Het nieuwe Estland omvatte het vroegere gouvernement Estland, het noordelijk deel van het gouvernement Lijfland en kleine stukjes van de gouvernementen Petrograd en Pskov. Uit het gouvernement Petrograd kwam de stad Narva met het omringende gebied over; uit het gouvernement Pskov een stuk land (ter grootte van de Nederlandse provincie Limburg) rond de stad Petseri (Russisch: Petsjory). De grens met Letland werd officieel vastgelegd op 22 maart 1920. De stad Walk, waar zowel Esten als Letten woonden, werd gesplitst in een Estisch deel (Valga) en een Lets deel (Valka). Noot
|
||||||||||||||||||||||||
|